Waar komt Aloe Vera vandaan?

De oudste bekende bron waarin melding wordt gemaakt van de helende eigenschappen van Aloë Vera, werd in 1862 door de egyptoloog George Ebers ontdekt op een papyrus uit ca. 3500 voor Chr., als onderdeel van een tekst over geneeskrachtige kruiden. De Egyptenaren noemde de Aloë hier 'plant van onsterfelijkheid'. Tekeningen van de gewaardeerde plant werden zelfs aangetroffen in de graven van de farao's. Naar verluid gebruikte Cleopatra Aloë Vera gel om haar legendarische schoonheid te behouden.

Aloe Vera wereldkaart

Arabische handelaars

Waarschijnlijk werd Aloë vervolgens door Arabische handelaars verder verspreid, naar Perzië, India en het Verre Oosten. Pas toen kreeg de plant de naam Aloë, afkomstig van het Arabische woord 'Alloeh', dat 'glanzende, bittere stof' betekent, vanwege de bittere vloeistof die uit de bladeren gewonnen kan worden. Vera, dat 'echt' betekent in het Latijn, werd pas later toegevoegd, om de populairste en meest voorkomende soort - de Aloë Barbadensis Miller - van de overige soorten te onderscheiden.

Aristoteles's leerling

Er is een legende die vertelt dat de Aristoteles zijn leerling Alexander de Grote ertoe heeft aangezet het eiland Socorra te veroveren, omwille van de Aloë die er rijkelijk groeide. Aristoteles had opgemerkt dat deze wonderplant zelfs zonder in de aarde geworteld te zijn, vele jaren kon overleven en daarom door het leger van Alexander kon worden meegenomen voor het behandelen van onderweg opgelopen verwondingen.

Dioscorides

In de eerste eeuw voor Chr. schreef de Griekse arts Dioscorides (41-68 v.Chr.).in zijn Materia Medica dat Aloë-extract goed gebruikt kon worden voor de behandeling van wonden, brandwonden, maagklachten, verstopping, bloedingen, hoofdpijn, gebits- en keelklachten, haaruitval, insectenbeten, nieraandoeningen en huidirritatie.

Vervolgreis door Afrika, China en het oude India

In Afrika werd de Aloë al eeuwen geleden gebruikt voor het bestrijden van maagpijn en om infectie na een insectenboek te voorkomen. De Chinezen gebruiken Aloë voor het behandelen van eczeem. In het oude India werd Aloë 'de stille genezer' genoemd en stond hij bekend om zijn vermogen de huid te genezen en infecties tegen te gaan.

Ontdekt in de nieuwe wereld

Later werd de Aloë meegenomen naar de Nieuwe Wereld. In Mexico werd het sap gebruikt voor de behandeling van huidproblemen en wonden. In Midden- en Zuid-Amerika gebruikten mensen het sap om insecten om afstand te houden en voor het behandelen van tal van kwalen.

Jezuïeten namen de plant vaak mee op hun missiereizen; de overlevingskracht van de Aloë Vera sprak voor hen zeer tot de verbeelding, terwijl ze tegelijk konden profiteren van het praktische gemak ervan. De pioniers die zich in Noord-Amerika vestigden, gebruikten de Aloë om wonden en brandwonden te genezen. Bij veel indianenstammen stond de plant in hoog aanzien, omat ze geloofden dat de gel verjongend zou werken en dat uit een dicht met Aloë begroeide plek de 'fontein van de jeugd' kon ontspringen.